De LeerFabriek: Over Productie Functies en Toegevoegde Waarde

De Telegraaf schreef met chocoladeletters in haar blad voor wakker Nederland in van 6 januari 2020: Den Haag ontslaat honderden leraren die te weinig Toegevoegde Waarde hebben.
En twee weken later had het Algemeen Dagblad de volgende kop: Primeur: De lijst van alle docenten in Rotterdam met hun Toegevoegde Waarde.
De krant die vroeger de geest scherpte maakte melding van een andere ontwikkeling: Talloze rechtszaken in Amsterdam over Toegevoegde Waarde.

Onlangs maakte ik de lezer gewag van mijn zorgen betreffende de dreiging van voortschrijdendeStalinizering van het onderwijs: te beginnen in de VS, maar op weg naar Nederland gezien het enthousiasme van de huidige minister van onderwijs betreffende de nadruk op rekenen en taal, op toetsen en leerlingachtervolgsysytemen, op eindtermen en referentieniveaus en de zich aftekenende afrekencultuur. Ik heb goed nieuws voor de Minister: de afrekencultuur kan rekenen op gedegen steun van onderwijseconomen. De New York Times raakte geheel enthousiast afgelopen week: “Big Study Links Good Teachers to Lasting Gain”. En met name dan op basisschoolniveau.

Welnu de studie is inderdaad “Big”: twee-en-een-half miljoen leerlingen zijn twintig jaar gevolgd. En uit een presentatie van de onderzoekers zelf citeren we: “veel mensen ondersteunen het streven naar een betere kwaliteit van leerproces”, om dit te vertalen in de vraag: “Hoe krijg je betere leerkrachten”? Een nogal verrassende logica. Maar goed, de aap komt heel helder uit de mouw: “Als je leraren met een hoge toegevoegde waarde voor de klas zet, wat zijn dan de gevolgen op lange termijn?”

Goede vraag. Maar enige toelichting is wel vereist: de toegevoegde waarde wordt gemeten aan de vooruitgang in scores van leerlingen bij gestandaardiseerde toetsen. De gevolgen voor de lange termijn zijn de vooruitgang in inkomen in de rest van je leven. Dus de leraar is goed als de testscores van je leerlingen iets meer omhooggaan dan het gemiddelde. En dat garandeert die leerlingen later zeker een hoger inkomen, al heb je die docente maar één jaar gehad.

Het onderzoek is opgesteld door economen van naam: Raj Chetti en John Friedman van Harvard en Jonah Rockoff van Columbia. Het mag dus nauwelijks verbazing wekken dat hun conceptueel framework start met de “Education Production Function for Scores and Earnings”. U leest het goed: De Onderwijs Productie Functie voor Scores en Inkomsten. Een vorige keer schreef ik over de teloorgang van het kind in het onderwijs. Ik was daarin te vriendelijk, te meedenkend. Het is zo simpel: een school voegt waarde aan producten toe, en de effectiviteit van de lopende band in de fabriek is een simpele kwestie van input/output analyse: het kind gaat erin met een beginscore, de leerkracht bewerkt het product met het oog op scoreverhoging, en aan het eind wordt de score weer bepaald: de toegevoegde waarde staat aldus objectief vast te stellen.

Even de conclusie samengevat voor leken zoals wij: “Als je een leerkracht met een lage toegevoegde waarde 10 jaar lang in je school hebt, in plaats van haar te vervangen door een doorsnee leerkracht, kun je hypothetisch gesproken, spreken van een verlies van twee-en-een-half miljoen dollar”. Of op individueel niveau gesproken: voor een hele klas zou het totale bedrag aan inkomen gedurende het gehele leven van de leerlingen groeien met 266.000 dollar. Daar moet een mooie opgave voor Wiskunde A inzitten voor het CITO.

U bent gewaarschuwd: dit onderzoek gaat grote gevolgen hebben. Onderwijseconomen en politici gooien het straks op een akkoordje. En onze kinderen? Die zijn ze allang uit het oog verloren. De schoorsteen moet roken, de fabriek moet draaien.
O ja, voor ik het vergeet: vervang Den Haag door Washington D.C., Rotterdam door Los Angeles, en Amsterdam door New York, en dat geeft precies de actuele situatie in de VS aan.

Tags:

No comments yet.

Leave a Reply